Vitality Affects

 

Het Zelf van Stern

Stern heeft een ontwikkelingstheorie ontworpen met stadia van de ontwikkeling van het zelf. Stern zocht naar een samenhangend theoretisch kader, maar dan gebaseerd op empirisch bewezen feiten. Daarom verzamelde hij empirische onderzoeken naar de ontwikkeling van het jonge kind. Door middel van een nieuwe samenhangende fasetheorie toont Stern hoe de kinderlijke ontwikkeling op aan een media verwante* en tegelijk interrelationele wijze plaatsvindt. Hiermee geeft deze ontwikkelingstheorie aan vaktherapeuten bijzonder veel inzicht in processen die eerder meestal globaal als non-verbaal werden beschreven. In deze fasen verschijnt langzaam het "zelf" (0-2 maanden), krijgt het "zelf" meer een eigen kern (2-7 maanden), gaat het zichzelf meer en meer subject ervaren (7-15 maanden), en ontwikkelt het zich tot een verbaal bewust "zelf" (vanaf 15 maanden).

 

Met name de maanden voorafgaand aan het kunnen spreken worden concepten besproken die bijzonder belangrijk zijn vanuit de zintuigelijk-motorische kant van de media. Een concept waarmee Stern een belangrijk en zeer vroeg in de ontwikkeling al aanwezig fenomeen beschrijft is het concept "vitality affects". Stern beschrijft dit als de globale dynamische kinetische gevoelskwaliteiten. Het gaat hier om vlagen van gevoelsenergie, die aanzwellen en afnemen, die heftig, spannend en opgewonden kunnen uitbarsten, maar ook weer tot ontspanning en rust kunnen komen. Lichamelijke zintuigelijkheid en motorische vitaliteit zijn betrokken in deze lijn van gevoelskwaliteiten. Hier gaat hier nadrukkelijk niet om afzonderlijke gevoelen zoals blij, boos, bang, beschaamd of verdriet. Veeleer kunnen afzonderlijke gevoelens zoals boosheid of verdriet vanuit meer of minder heftigheid, spanning enzovoort ervaren worden. De vitality affects beheersen het bestaan van het jonge kind heel sterk, maar omdat met de gevoelservaring lichamelijke beweging gepaard gaat, is deze uiterlijk waarneembaar. 

 

Hier sluit een volgend concept op aan, namelijk "attunement". De ouder kan vanuit de eigen lichamelijke en innerlijke betrokkenheid afstemmen op de vitality affects van het kind.

Deze vitality affects zijn in de handelingen waar te nemen of in de details die de beweging in een beeldend werk achterlaat. De aanwezigheid van deze gevoelstroom van vitality affects is echter ook op een andere manier te benaderen. Gevoelens en gedachten hebben een sterke neurofysiologische, sensomotorische emotionele basis. De opvattingen van Damasio zijn hierbij van belang.

 

Damasio

Damasio baseert zich op het idee dat een scheiding tussen het denken en het voelen op neurobiologische- en neuropsychologische basis een vergissing moet zijn. Op basis van ervaren ontstaat intuitief weten. Emoties spelen een belangrijke rol in regulerlingsprocessen in het organisme. Zij decteren onbalans. Door ervaring leert het organisme balans te brengen middels steeds complexere neurale patronen, die leiden tot het ontstaan van een eenvoudige vorm van zelfbewustzijn, het protozelf. Het protozelf is weer de basis voor het ontwikkelen van een kernbewustzijn en ten slotte een autobiografische bewustzijn.

 

Steeds vormen nieuwe ervaringen in confrontatie met lichamelijke sensaties en oude mentale beelden de aanleiding voor het ervaren van emotionele spanning die vervolgens weer leidt tot bijstelling van sensaties, mentale beelden en ten slotte vormen van het zelfbesef. 

 

Er is een grote verwantschap tussen Stern en Damasio. Een belangrijk verschil is dat Stern de interpersoonlijke relatie als motor voor de ontwikkeling ziet en Damasio zoekt de verklaring in het biologisch evolutionaire organisme. Tezamen geven zij echter een belangrijke basis om de betekenis van de proccessen in het beeldend werken goed te kunnen begrijpen.

 

Analoge processen

Analoge processen in het beeldend werken spelen met name op het niveau van het kernzelf, het kernbewustzijn. De analogie speelt zich af tussen non-verbale psychische reguleringsprocessen in de kernzelfmodus en de eveneens non-verbale vormgevingsprocessen in het beeldend werken. Beeldende vormgevingstechniek bevatten een sterk lichamelijke emotionele basis en een intuitief gevoelsmatig begrijpend en verbeeldend karakter.  Ze vinden plaats door vitality affects (Stern) of kernzelfervaringen (Damasio).

Anders gezegd: Een vitality affect van een innerlijk proces  wordt in een uiterlijk gedrag en vorm weergegeven. Binnen het proces gaan gevoelservaringen gepaard met een lichamelijke beweging. Hierdoor kan een beeldend therapeut ze zien, zij zijn uiterlijk waarneembaar. Door de kracht van het beeldend werken kunnen gevoelens optreden voordat er gedachtens tot stand komen. Emoties zijn informatieverschaffers, die ons helpen bij het ontwikkelen van gedachten. Voor deze gevoelgsvlagen of kernbewustzijnervaringen past het begrip analogie. Analogie geeft op dynamische wijze aan dat de wezenlijke psychische processen "stromend" zijn en binnen het beeldende proces vervat plaatshebben. Afstemmen en contact maken in het beeldend werken zijn hiervoor de brug.  

Het therapeutisch beeldend werken is in hoge mate een activiteit waarin het kernzelf wordt aangesproken. Daarmee betekent beeldend werken veelal niet-denkend bezig zijn, al handelend je overgeven in het hier en nu, op basis van intuitie, zonder vooroverleg. Het lichaam slaat veel informatie non-verbaal op. Het is vaak niet voldoende om een negatieve emotie "om te vormen" in een positieve. Veelal beklijft dat niet, omdat de lichamelijke verankering ontbreekt. Wanneer echter een negatieve ervaring wordt vervangen door een (lijvelijke) positieve ervaring, kan het lichaam de negatieve ervaring loslaten. (Bron: Handboek Beeldende Therapie, Uit de verf. Celine Schweizer).

 

*Media verwante hiermee wordt bedoeld het medium waarmee een vaktherapeut werkt. Bijvoorbeeld: Het medium bij een muziektherapeut is muziek. Het medium bij een beeldend therapeut zijn creatieve materialen, beeldend werk.